|
Zaterdag 4 april 2026
om 20:00
Paaswake vanuit de Mariakerk
Voorganger(s): Pfarrer Christian Noeske en Ds. Vrouwkje Dees
Bekijk de beeldopname
Bekijk de liturgie
Paaswake – Osternachtfeier
4 april 2026, 20.00 uur
Mariakerk Cadzand
O dass mein Leben deine Gebote mit ganzen Ernst hielte.
Laat toch mijn wegen recht zijn,
ik wil mij houden aan uw wetten.
Pfarrer Christian Noeske en Ds. Vrouwkje Dees
Ambtsdragers: Wil Prins, Jos Bakker
Organist: Willy Kamphuis
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Alle versammeln sich in der Kirche, empfangen ein Liturgieblatt und nehmen Platz in den Bänken.
Iedereen verzamelt zich in de kerk, ontvangt een liturgie en neemt plaats in de banken
Der Liturgie wird kontinuierlich gefolgt, ohne De liturgie wordt aaneengesloten gevolgd, zonder
zwischenzeitliche Ankündigung des Folgenden. tussentijdse aankondiging van het volgende.
Begrüßung Begroeting
Wir begrüßen alle ganz herzlich, die an diesem besonderen Abend sich auf den Weg zu unserer Kirche gemacht haben, um miteinander zu singen und zu beten, auf Gottes Wort zu hören und zu schweigen.
Wir warten darauf, dass es Ostern wird,
wir warten darauf, dass das Licht die Dunkelheit hell macht.
Und heute können wir in verschiedenen Sprachen
und gleichzeitig als Christinnen und Christen mit einander auf Ostern warten.
Und so feiern wir unseren Gottesdienst
Wij heten u allen hartelijk welkom, u die op deze bijzondere avond de weg naar onze kerk gegaan bent, of thuis meeluistert, om samen te zingen en te bidden, naar Gods Woord te luisteren en stil te zijn.
Wij wachten op de komst van Pasen,
we wachten op het licht dat de duisternis verlicht. Deze avond zullen we in verschillende talen
als christenen samen op Pasen wachten.
Zo vieren we onze kerkdienst.
LOB DES LICHTES
LOF VAN HET LICHT
Lesen Genesis 1: 1-3
1 Am Anfang schuf Gott Himmel und Erde.
2 Und die Erde war wüst und leer,
und es war finster auf der Tiefe;
und der Geist Gottes schwebte auf dem Wasser.
3 Und Gott sprach: Es werde Licht und es ward Licht.
Lezing Genesis 1: 1-3
1In het begin schiep God de hemel en de aarde.
2De aarde was nog woest en doods,
en duisternis lag over de oervloed,
maar Gods geest zweefde over het water.
3God zei: ‘Er moet licht komen,’en er was licht
DER EINZUG DES LICHTES DE INTOCHT VAN HET LICHT
de Paaskaarsen wordt aangestoken onderwijl zingen we het onderstaande
von Pfarrern a capella gesungen/ gezongen door voorgangers:
LIED 594
Das Licht wird denjenigen weitergegeben, die auf der Ecke der Bank sitzen,
und es geht weiter die Reihe entlang.
Ondertussen wordt het licht doorgegeven aan degene die op de hoek van de bank zit,
die geeft verder door in de rij.
Wir singen/ We zingen lied 601:
1.Licht, das uns anstößt, früh am Morgen
uraltes Licht, in dem wir stehn,
kalt, jeder einzeln, ungeborgen,
komm über mich und mach mich gehn.
Dass ich nicht ausfall ́, dass wir alle,
so schwer und traurig wie wir sind,
nicht aus des andern Gnade fallen
und ziellos, unauffindbar sind.
3.Alles zal zwichten en verwaaien
wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien
en van ons doen geen daad bekijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen
zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren,
licht, laatste woord van Hem die leeft.
Lesung/ Lezing Psalm 119: 05
5O dass mein Leben deine Gebote
mit ganzen Ernst hielte.
5Laat toch mijn wegen recht zijn,
ik wil mij houden aan uw wetten.
Lied: 598 im Dunkel unsrer Nacht(Taizé) - Als alles duister is
im Dunkel unsrer Nacht entzünde das Feuer das nie mehr verlischt, niemals mehr verlischt
im Dunkel unsrer Nacht entzünde das Feuer das nie mehr verlischt,niemals mehr verlischt.
Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft
Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.
Lesen/ Lezing: Exodus 14: 24-31
24.Als nun die Zeit der Morgenwache kam, schaute der HERR auf das Heer der Ägypter aus der Feuersäule und der Wolke und brachte einen Schrecken über ihr Heer 25. und hemmte die Räder ihrer Wagen und machte, dass sie nur schwer vorwärtskamen. Da sprachen die Ägypter: Lasst uns fliehen vor Israel; der HERR streitet für sie wider Ägypten. 26. Aber der HERR sprach zu Mose: Recke deine Hand aus über das Meer, dass
das Wasser wiederkomme und herfalle über die Ägypter, über ihre Wagen und Reiter.
27. Da reckte Mose seine Hand aus über das Meer, und das Meer kam gegen Morgen wieder in sein Bett, und die Ägypter flohen ihm entgegen. So stürzte der HERR sie mitten ins Meer. 28. Und das Wasser kam wieder und bedeckte Wagen und Reiter, das ganze Heer des Pharao, das ihnen nachgefolgt war ins Meer, sodass nicht einer von ihnen übrig blieb. 29.Aber die Israeliten gingen trocken mitten durchs Meer, und das Wasser war ihnen eine Mauer zur Rechten und zur Linken. 30. So errettete der HERR an jenem Tage Israel aus der Ägypter Hand. Und sie sahen die Ägypter tot am Ufer des Meeres liegen. 31. So sah Israel die mächtige Hand, mit der der HERR an den Ägyptern gehandelt hatte. Und das Volk fürchtete den HERRN, und sie glaubten ihm und seinem Knecht Mose.
24Maar in de morgenwake keek de HEER vanuit de vuurzuil en de wolkkolom neer op het Egyptische leger en zaaide paniek onder hen. 25Hij liet de wielen van de wagens vastlopen, zodat de
Egyptenaren de grootste moeite hadden om vooruit te komen. ‘Laten we vluchten!’ riepen ze. ‘De HEER steunt de Israëlieten, hij strijdt tegen ons!’ 26De HEER zei tegen Mozes: ‘Strek je arm uit boven de zee; dan stroomt het water terug, over de Egyptenaren en over al hun wagens en ruiters.’
27Mozes gehoorzaamde, en toen de dageraad aanbrak, stroomde de zee terug naar haar gewone plaats. De Egyptenaren vluchtten het water tegemoet, de HEER dreef hen regelrecht de golven in. 28Het terugstromende water overspoelde het hele leger van de farao, al zijn wagens en ruiters, die achter de Israëlieten aan de zee in gereden waren; niet een van hen bleef in leven.
29Maar de Israëlieten waren dwars door de zee gegaan, over droog land, terwijl rechts en links van hen het water als een muur omhoogrees.
30-31 Zo redde de HEER de Israëlieten die dag uit de handen van de Egyptenaren.
Toen ze de Egyptenaren dood langs de zee zagen liggen en het tot hen doordrong hoe krachtig de HEER tegen Egypte was opgetreden, kregen ze ontzag voor de HEER en stelden ze hun vertrouwen in hem en in zijn dienaar Mozes.
ORGELSPEL
Hooglied 3:1-6 en 4:8 - 5:1 (lector- nl) Hoheslied 3,1-6 und 4,8 bis 5,1
1.’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2.Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
3.De wachters vinden mij
op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?
4.Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij
of ik vind mijn lief.
Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los
tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,
in de kamer van haar die mij baarde.
5.Meisjes van Jeruzalem,
ik bezweer je bij de gazellen,
bij de hinden op het veld:
wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken
voordat zij het wil.
…..
4: 8.Mijn bruid, ga met me mee,
kom mee, weg van de Libanon.
Daal af van de top van de Amana,
de top van de Senir, de Hermon.
Weg van de bergen waar leeuwen huizen,
weg van de holen waar panters schuilen.
9.Zusje, bruid van mij,
je brengt me in vervoering,
je brengt me in verrukking
met maar één blik van je ogen,
met één flonker van je ketting.
10.Zusje, bruid van mij,
hoe heerlijk is jouw liefde,
hoeveel zoeter nog dan wijn.
Hoeveel zoeter is je geur
dan alle balsems die er zijn.
11.Mijn bruid, je lippen druipen van honing,
melk en honing proef ik onder je tong,
je kleed geurt naar de Libanon.
12.Zusje, bruid, een besloten hof ben jij,
een gesloten tuin, een verzegelde bron.
13.Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaat-appels,
met een overvloed aan vruchten,
hennabloemen, nardusplanten,
14.nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,
wierookbomen, allerlei soorten, mirre, aloë,
balsems, allerfijnst.
15.Je bent een bron omringd door tuinen,
een put met helder water,
een bergbeek van de Libanon.
16.Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!
Waai door mijn hof, laat zijn balsems geuren.
Mijn lief moet in zijn hof komen,
Laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.
5: 1 Hier ben ik in mijn hof,
zusje, bruid van mij.
Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,
ik eet mijn honing uit mijn honingraat
ik drink mijn melk en mijn wijn.
Eet vriend en vriendin!
Drink, en word dronken van liefde!
Lied: 608 De steppe zal bloeien
1.Die Steppe wird blühen,
Die Steppe wird lachen und jauchzen.
Die Felsen voll Wasser
seit den Tagen der Schöpfung,
doch sie halten es fest.
Die Felsen zerspringen,
das Wasser wird strömen,
das Wasser wird funkeln und strahlen,
Durstige kommen und trinken.
Die Steppe wird trinken,
die Steppe wird blühen,
die Steppe wird lachen und jauchzen.“
3.De dode zal leven
de dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan
en onder stenen bedolven
dode, dode, sta op,
het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken
een stem zal ons roepen: Ik open
hemel en aarde en afgrond.
En wij zullen horen
en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven
LIED 338B HALLULEJA (1x Voorgangers/ Pfarrern, 3x allen)
Hal-le-lu-ja, hal-le-lu-ja, hal-le-
lu - - ja. lu - - ja
Evangelielezing Johannes 20: 1- 18
1. Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2.Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 3.Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 6. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7. en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 8. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9.Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10.De leerlingen gingen terug naar huis.
11.Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12. en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 13‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 14. Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15 ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 16. Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 17. ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18. Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.
De Duitse vertaling:
Am ersten Tag der Woche kommt Maria Magdalena früh, als es noch finster war, zum Grab und sieht, dass der Stein vom Grab weggenommen war. 2 Da läuft sie und kommt zu Simon Petrus und zu dem andern Jünger, den Jesus lieb hatte, und spricht zu ihnen: Sie haben den Herrn weggenommen aus dem Grab, und wir wissen nicht, wo sie ihn hingelegt haben. 3 Da gingen Petrus und der andere Jünger hinaus, und sie kamen zum Grab. 4 Es liefen aber die beiden miteinander, und der andere Jünger lief voraus, schneller als Petrus, und kam als Erster zum Grab, 5 schaut hinein und sieht die Leinentücher liegen; er ging aber nicht hinein. 6 Da kam Simon Petrus ihm nach und ging hinein in das Grab und sieht die Leinentücher liegen, 7 und das Schweißtuch, das auf Jesu Haupt gelegen hatte, nicht bei den Leinentüchern, sondern daneben, zusammengewickelt an einem besonderen Ort. 8 Da ging auch der andere Jünger hinein, der als Erster zum Grab gekommen war, und sah und glaubte. 9 Denn sie verstanden die Schrift noch nicht, dass er von den Toten auferstehen müsste. 10 Da gingen die Jünger wieder zu den anderen zurück.
11 Maria aber stand draußen vor dem Grab und weinte. Als sie nun weinte, beugte sie sich in das Grab hinein 12 und sieht zwei Engel in weißen Gewändern sitzen, einen zu Häupten und den andern zu den Füßen, wo der Leichnam Jesu gelegen hatte. 13 Und die sprachen zu ihr: Frau, was weinst du? Sie spricht zu ihnen: Sie haben meinen Herrn weggenommen, und ich weiß nicht, wo sie ihn hingelegt haben. 14 Und als sie das sagte, wandte sie sich um und sieht Jesus stehen und weiß nicht, dass es Jesus ist. 15 Spricht Jesus zu ihr: Frau, was weinst du? Wen suchst du? Sie meint, es sei der Gärtner, und spricht zu ihm: Herr, hast du ihn weggetragen, so sage mir: Wo hast du ihn hingelegt? Dann will ich ihn holen. 16 Spricht Jesus zu ihr: Maria! Da wandte sie sich um und spricht zu ihm auf Hebräisch: Rabbuni!, das heißt: Meister! 17 Spricht Jesus zu ihr: Rühre mich nicht an! Denn ich bin noch nicht aufgefahren zum Vater. Geh aber hin zu meinen Brüdern und sage ihnen: Ich fahre auf zu meinem Vater und eurem Vater, zu meinem Gott und eurem Gott. 18 Maria Magdalena geht und verkündigt den Jüngern: »Ich habe den Herrn gesehen«, und was er zu ihr gesagt habe.
Christus onze Heer verrees
EGB 564: 3 en 4 LIED 624: 1 en 2
1.(3) Stein und Wache sind vergebens. Halleluja!
Und das Siegel ist zerbrochen,Halleluja!
Auch der Tot hält ihn nicht fest. Halleluja!
Offen steht das Tor zum Leben. Halleluja!
3(4). Auferstanden, lebt er heute. Halleluja!
Tod, du hast dein Spiel verloren. Halleluja!
Jesus holt uns aus der Angst. Halleluja!
Singt mit uns das Lied der Freude! Halleluja!
(2)1.Christus, onze Heer, verrees, halleluja!
Heil'ge dag na angst en vrees, halleluja!
Die verhoogd werd aan het kruis, halleluja!
bracht ons in Gods vrijheid thuis, halleluja!
4.(2) Prijs nu Christus in ons lied, halleluja,
die in heerlijkheid gebiedt, halleluja,
die aanvaardde kruis en graf, halleluja,
dat Hij zondaars ’t leven gaf, halleluja
ERNEUERTES TAUFGELÜBDE HERNIEUWING DOOPBELOFTEN
Eins mit Jesus Christus
Sie wissen, dass die Taufe, durch die
Wir sind eins geworden mit Jesus, dem Gesalbten,
uns seines Todes teilhaftig gemacht hat?
Durch die Taufe in seinen Tod werden wir mit ihm begraben,
damit auch wir -
so wie der Gesalbte durch die Kraft des Vaters von den Toten auferweckt wurde
ein neues Leben führen würde.
Sind wir mit ihm eins geworden im Bild seines Todes?
dann müssen wir ihm auch in seiner Auferstehung folgen.
Eén met Jezus Christus
‘Jullie weten toch dat de doop waardoor
wij één zijn geworden met Jezus de gezalfde,
ons heeft doen delen in zijn dood?
Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem bergraven,
opdat ook wij –
zoals de Gezalfde door de kracht van de vader uit de doden is opgewekt –
een nieuw leven zouden leiden.
Zijn wij één met hem geworden door het beeld van zijn dood,
dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding’.
We vernieuwen onze Doopgelofte
met Lied: Aus meines Herzens Grunde
EGB 443 LIED 612 vers 1 en 2 (als nr. 3 en 4 van het totaal)
1) Aus meines Herzens Grunde
sag ich dir Lob und Dank
in dieser Morgenstunde,
dazu mein Leben lang,
dir, Gott, in deinem Thron,
zu Lob und Preis und Ehren
durch Christus, unsern Herren,
dein eingebornen Sohn,
3.Wij komen als geroepen
en aan het licht gebracht.
Het leven te begroeten
heeft God ons toebedacht.
Wij komen als geroepen,
getekend met een naam
van ongeweten toekomst,
de mede-erfgenaam
2) dass du mich hast aus Gnaden 4.Geroepen om te leven,
in der vergangnen Nacht gehouden aan zijn woord
vor G'fahr und allem Schaden van uitgesproken vrede,
behütet und bewacht. van liefde ongehoord.
Demütig bitt ich dich, Herboren, uitgetogen,
wollst mir mein Sünd vergeben, uit de toevalligheid,
womit in diesem Leben bestemd voor de genade,
ich hab erzürnet dich. het donker al voorbij!
ABENDMAHL
Einladung:
Wir laden Sie ein, auch alle Kinder sind willkommen zum Abendmahl.
Gemeinsam stehen wir im großen Kreis.
Bitte lösche deine Kerze und nimm dein Büchlein mit. Danach gehen wir zurück zu unserem Platz und singen dort das Schlusslied.
TAFELVIERING
Uitnodiging:
Wij nodigen u allen uit, ook alle kinderen zijn welkom aan het avondmaal.
Samen vormen wij een grote kring.
Doof a.u.b. uw kaars en neem uw boekje mee
Na afloop gaan we terug naar onze zitplaats en zingen daar het slotlied.
In de kring zingen wij, 1x voorgangers/ Pfarrern - latijn,
2x allen, NL: Christus is waarlijk verrezen, alleluja 2x
(Übersetzung: Christus ist tatsächlich auferstanden, Halleluja)
Säe nicht allein Unruhe und Scham, sondern pflanze auch dauerhafte Einsicht und starken Glauben. Mache uns findig, ja auch uns einfache Menschen, mit Umsicht für unsere Mitmenschen, beim Einreißen der Mauern, die uns voneinander trennen, von Viertel zu Viertel, von Dorf zu Dorf, von Stadt zu Stadt.
Zaai niet enkel onrust en schaamte, maar plant in ons ook een duurzaam inzicht en een sterk geloof. Maak ons vindingrijk, ja ook ons eenvoudige mensen, met zorg voor onze medemensen, bij het neerhalen van de muren die ons van elkaar scheiden, van streek tot streek, van dorp tot dorp, van stad tot stad.
1x voorgangers, 2x allen: Christus is waarlijk verrezen, alleluja 2x
Mache uns geschickt und fuhre uns hin zum Teilenund Brotbrechen. Gestalte uns neu nach dem Menschen, der aus Deiner Zukunft ist und der so lange nach seinem Tod noch immer durch dieses Zeichen versteht, die Menschen zu inspirieren zum Einsatz für ein besseres Leben.
Und als sie aßen, nahm Jesus das Brot, dankte und brach’s und gab’s ihnen und sprach: Nehmet; das ist mein Leib.
Help ons om uw droom te begrijpen. Help ons om elkaar in duidelijke woorden te vertellen van een wereld, waarin niet langer gelogen en bedrogen wordt en waar ook kwetsbare mensen en alles wat weerloos is, de ruimte krijgt om waardig te leven. U bent onze Leermeester, die ons de weg wijs naar een manier van leven, waarmee we elkaar niet ergeren, maar elkaar leren vertrouwen.
Hij brak het brood en deelde het uit met de woorden: Ik ben het Zelf, een mens voor de mensen, gebroken en aan hen overgegeven.
Er hob den Becher auf den neuen Tag, auf eine Zukunft mit allen. Er gab den Becher herum mit den Worten: Ich bin es selbst, mein Blut vergossen für eine neue, eine verwandelte Welt.
Darum, wer um die Zukunft fürchtet, wer sich bedrängt weiß und Kraft sucht zum Aufbruch in ein neues Leben, der nehme und teile nun von dem Brot und dem Wein und lebe auf in seinem Gedächtnis.
En hij nam de beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker, en allen dronken eruit. Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt. Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’
VATERUNSER ONZE VADER
BREKEN en DELEN
Het Brood van de hemel
DE Wijn van het koninkrijk
wir gehen zurück zu unserem Platz we gaan terug naar onze plaats
Lied: 630 Sta op een morgen ongedacht
1.Sta op! - Een morgen ongedacht,
Gods dag is aangebroken,
er is in één bewogen nacht
een nieuwe lente ontloken.
Het leven brak door aarde en steen,
uit alle wondren om u heen
spreekt, dat God heeft gesproken.
2.Denn seine groß Barmherzigkeit
tut über uns stets walten,
sein Wahrheit, Gnad und Gütigkeit
erscheinet Jung und Alten
und währet bis in Ewigkeit,
schenkt uns aus Gnad die Seligkeit;
drum singet Halleluja.
3.Hij heeft gezegd: Gij mens, kom uit,
open uw dode oren;
kom uit het graf dat u omsluit,
kom uit en word geboren!
Toen heeft zich in het vroegste licht
de nieuwe Adam opgericht,
ons allen lang tevoren.
4.Sta op! - Hij gaat al voor ons uit,
de schoot van 't graf ontkomen.
De morgen is vol nieuw geluid, -
werp af uw boze dromen.
Waar Hij, ons Hoofd, is voorgegaan,
is voor het lichaam nu vrij baan
naar een bestaan volkomen.
Bevor wir die Kirche verlassen, zünden wir unsere Kerze mit dem Licht der Osterkerze an.
Voor we de kerk verlaten, steken we onze kaars aan met het licht van de Paaskaars.
SEGEN - ZEGEN
(Pfarrer Duits, ds. Nederlands)
ORGELSPEL
|